Net als in Amerika
Onze correspondent Auke de Man duikt in onze nationale kunst-financiering en komt tot opmerkelijke conclusies over Amerikaans mecenaat, de kunst-smaak van het Nederlandse volk
Net als in Amerika
Uniek podiumklimaat
Het bezuinigingsplan van Zijlstra suggereert dat er door de overheid onevenredig veel geld aan cultuur wordt uitgegeven. Dat dit beeld niet klopt, word je pas onversneden helder als internationale prominenten als Peter Sellars (New York) en Johan Simons (Berlijn) de Podiumkunsten ten onzent volstrekt uniek achten, juist omdat het uitmuntende baten combineert met summiere kosten: ‘Binnen de huidige situatie weet de Nederlandse overheid zich met een relatief klein cultuurbudget verzekerd van een cultuursector met een internationale standaard van excellentie, innovatie en tolerantie. Nederland is daar terecht trots op.’
Het Nederlandse stelsel voor podiumkunsten is wereldvermaard omdat het behalve diversiteit en toegankelijkheid aan grote kwaliteit paart, talenten via kleinschalige projecten ook ruimte biedt te experimenteren en zich te ontwikkelen. Vrijwel alle innovatieve, nieuwe ideeën – voor velen een non-issue maar uiteindelijk voor elke kunst van levensbelang - komen daar vandaan. En het zijn juist deze platforms van kleinere productiehuizen in de theater-, muziek- en danswereld die door de plannen van Zijlstra om zeep worden geholpen. De gevolgen, aldus de auteurs van de brandbrief, zullen niet alleen de Nederlandse maar ook de Europese cultuur een fikse ram bezorgen.
Amerikaans Mecenaat
Dit kabinet stelt als panacee voor de kunstenaar echter de Amerikaanse methode van het mecenaat, waarbij mede dankzij fiscale voordelen burgers en bedrijven bereid zijn hem te financieren. De Nieuwe Wereld is, zoals bekend, het beloofde land van Mark en naar nu blijkt nadrukkelijk ook van Halbe. Wat de zittende excellenties echter vergeten, is dat er voor mensen met een redelijke beurs in New York of Los Angeles inderdaad heel wat is te zien en te horen. Maar reeds in middelgrote steden domineert schraalhans keukenmeester de uitagenda en vermoedelijk heeft men in het ‘Wilde Westen’ nog nooit van het begrip ‘kunst’ gehoord.
De internationale kunstbroeders waarschuwen daarbij voor (Amerikaanse) overmoed. Het duurt jaren voordat gezelschappen én donoren een dergelijke wederkerigheid gewoon zijn. Dat heeft niets te maken met het gemak van de ‘staatsruif’, maar alles met het gegeven dat de Amerikaanse fiscus en de aldaar vigerende culturele infrastructuur niet de onze is.
Maar kosten en baten kunnen eindeloos worden bediscussieerd, een discussie evenwel waar de kunstsector zich niet geheel aan kan onttrekken, juist als het van de overheid en zijn burgers een bijdrage verlangt.
Het is elders al eens opgemerkt, als de staatsecretaris meent te hervormen opdat de elite leert naar de smaak van ‘het volk’ te luisteren, dan zal hij flux van een koude kermis thuiskomen.
Juist hoogopgeleiden immers zullen de fors duurdere kaartjes eerst nog wel willen betalen. Niemand is echter gebaat bij een uitholling van de podiumkunst, die met het subiet wegvagen van kleinere productiehuizen mettertijd juist elke dynamische vernieuwing zal ontberen.
Hand in eigen boezem
Maar toch, ondanks zijn botte bijl heeft de staatssecretaris wel een punt. De kunstsector doet er in ieder geval goed aan zich het grote aantal voorstellingen in de podiumkunst en exposities in de beeldende kunst aan te rekenen. 
Zo meent Arjo Klamer in de NRC van jongstleden 25 juni. Hij constateert dat het aanbod in deze sectoren de bezoekersaantallen verre overstijgt. Dat kost niet alleen relatief veel geld, het blijkt vooral dat kunstenaars potentiële liefhebbers nog niet bereiken. Volgens Klamer moeten kunstenaars en gezelschappen zich meer gaan richten op het smeden van engagementen. Verbindingen zoeken, niet alleen met burgers maar ook met instanties en het bedrijfsleven. Klamer zelf ondervond tijdens zijn onderzoek als cultureel econoom verassend veel weerklank bij ondernemers.
Wanneer de kunstsector niet zelf in de val van het, thans helaas overheersende, wantrouwen wil vallen – waarbij de liefhebber de barbaar verwijt niets meer voor de beschaving over te hebben, al even destructief dus als de omgekeerde reflex van ‘het volk’ – dan zal zij zich opnieuw bewust moeten worden van haar eigen kracht en eigen waarde. Om van daaruit te ontdekken dat het zo slecht nog niet gesteld is met de belangstelling voor kunst.
Auke de Man